Hoe zit het met de nieuwe kerndoelen met betrekking tot NME?

Kennis voor NME
 

Hoe zit het met de nieuwe kerndoelen met betrekking tot NME? 

Na een lange voorbereidingstijd zijn de nieuwe kerndoelen voor het basisonderwijs van kracht. De leergebiedoverstijgende doelen zijn eruit verdwenen. De kerndoelen zijn geformuleerd voor grotere leergebieden. Voor natuuronderwijs betreft dat het leergebied ‘Oriëntatie op jezelf en wereld’. Natuurlijk moeten NME-aanbieders ook rekening houden met de andere kerndoelen, zoals de doelen die 'taal' betreffen.

Vanaf augustus 2006 gelden de nieuwe kerndoelen in elk geval voor de kleutergroepen. Met ingang van schooljaar 2009/2010 dienen de nieuwe kerndoelen volledig te zijn ingevoerd binnen de basisscholen. Alle scholen voor primair onderwijs hebben een informatieset ontvangen, bestaande uit een boekje met de kerndoelen, de kerndoelen op losse kaartjes en een poster met de kerndoelen op een rij.

Wat betekent dat voor de NME-organisaties?
Dit jaar zal in Vakblad Podium uitgebreid aandacht worden geschonken aan de betekenis van de kerndoelen voor het NME-werkveld. Houd bij de ontwikkeling van lesmateriaal, maar ook bij advies over bijvoorbeeld leerlijnen aan het primair onderwijs, rekening met de nieuwe kerndoelen.
De kerndoelen zijn te downloaden op www.minocw.nl/kerndoelen/publicaties.
Heeft u meer behoefte aan houvast in het vertalen van de kerndoelen naar de praktijk, dan kunt u op http://tule.slo.nl/Inleiding/F-KDToelichting.html  tussendoelen en leerlijnen vinden. Dit zijn handreikingen aan leraren, maar ook aan studenten, leermiddelenontwikkelaars, opleiders en begeleiders, inspecteurs en anderen die bij het basisonderwijs betrokken zijn. De handreikingen hebben betrekking op het hanteerbaar maken van de kerndoelen in de hele basisschool.

Hieronder volgt de tekst zoals opgenomen in het kerndoelenboekje van april 2006.

KERNDOELEN ‘ORIËNTATIE OP JEZELF EN DE WERELD’

In dit leergebied oriënteren leerlingen zich op zichzelf, op hoe mensen met elkaar omgaan, hoe ze problemen oplossen en hoe ze zin en betekenis geven aan hun bestaan. Leerlingen oriënteren zich op de natuurlijke omgeving en op verschijnselen die zich daarin voordoen. Leerlingen oriënteren zich ook op de wereld, dichtbij, veraf, toen en nu en maken daarbij gebruik van cultureel erfgoed.

Kinderen zijn nieuwsgierig. Ze zijn voortdurend op zoek om zichzelf en de wereld te leren kennen en te verkennen. Die ontwikkelingsbehoefte is een aangrijpingspunt voor dit leergebied. Tegelijk stelt de samenleving waarin kinderen opgroeien haar eisen. Kinderen vervullen nu en straks taken en rollen, waarop ze via onderwijs worden voorbereid. Het gaat om rollen als consument, als verkeersdeelnemer en als burger in een democratische rechtstaat. Kennis over en inzicht in belangrijke waarden en normen en weten hoe daarnaar te handelen, zijn voorwaarden voor samenleven. Respect en tolerantie zijn er verschijningsvormen van.

Bij het leren kennen van de wijze waarop mensen hun omgeving inrichten, spelen economische, politieke, culturele, technische en sociale aspecten een belangrijke rol. Het gaat daarbij om datgene wat van belang is voor betekenisverlening aan het bestaan, om duurzame ontwikkeling, om (voedsel)veiligheid en gezondheid en om technische verworvenheden.

Bij het oriënteren op de natuur gaat het om jezelf, om dieren en planten en natuurverschijnselen. Bij de oriëntatie op de wereld gaat het om de vorming van een wereldbeeld in ruimte en tijd. Leerlingen ontwikkelen een geografisch wereldbeeld aan de hand van gebieden en met behulp van kaartvaardigheden. Ze ontwikkelen een historisch wereldbeeld. Dat betekent dat ze kennis hebben van historische verschijnselen in delen van de wereld en van chronologie. Leerlingen leren hun wereldbeeld (over henzelf en de wereld) aan de hand van actuele onderwerpen voortdurend ‘bij de tijd’ te brengen.

Waar mogelijk worden onderwijsinhouden over mensen, de natuur en de wereld in samenhang aangeboden. Dit komt het ‘begrijpen’ door leerlingen ten goede en draagt voorts bij aan vermindering van de overladenheid van het onderwijsprogramma. Ook inhouden uit andere leergebieden worden betrokken op de ‘oriëntatie op jezelf en de wereld’. Te denken valt aan het lezen en maken van teksten (begrijpend lezen), het meten en het verwerken van informatie in onder andere tabellen, tijdlijn en grafieken (rekenen/wiskunde) en het gebruik van beelden en beeldend materiaal (kunstzinnige oriëntatie). Onderwijs is er immers vooral op gericht om leerlingen zicht te geven op betekenis en samenhang.

 

§ Mens en samenleving

  • 39. De leerlingen leren met zorg om te gaan met het milieu.


§ Natuur en techniek

  • 40. De leerlingen leren in de eigen omgeving veel voorkomende planten en dieren onderscheiden en benoemen en leren hoe ze functioneren in hun leefomgeving.
  • 41. De leerlingen leren over de bouw van planten, dieren en mensen en over de vorm en functie van hun onderdelen.
  • 42. De leerlingen leren onderzoek doen aan materialen en natuurkundige verschijnselen, zoals licht, geluid, elektriciteit, kracht, magnetisme en temperatuur.
  • 43. De leerlingen leren hoe je weer en klimaat kunt beschrijven met behulp van temperatuur, neerslag en wind.
  • 44. De leerlingen leren bij producten uit hun eigen omgeving relaties te leggen tussen de werking, de vorm en het materiaalgebruik.
  • 45. De leerlingen leren oplossingen voor technische problemen te ontwerpen, deze uit te voeren en te evalueren.
  • 46. De leerlingen leren dat de positie van de aarde ten op­zichte van de zon, seizoenen en dag en nacht veroorzaakt.


§ Ruimte

  • 47. De leerlingen leren de ruimtelijke inrichting van de eigen omgeving te vergelijken met die in omgevingen elders, in binnen- en buitenland, vanuit de perspectieven landschap, wonen, werken, bestuur, verkeer, recreatie, welvaart, cultuur en levensbeschouwing. In ieder geval wordt daarbij aandacht besteed aan twee lidstaten van de Europese Unie en twee landen die in 2004 lid werden, de Verenigde Staten en een land in Azië, Afrika en Zuid-Amerika.
  • 48. Kinderen leren over de maatregelen die in Nederland genomen worden/werden om bewoning van door water bedreigde gebieden mogelijk te maken.
  • 49. De leerlingen leren over de mondiale ruimtelijke spreiding van bevolkingsconcentraties en godsdiensten, van klimaten, energiebronnen en van natuurlandschappen zoals vulkanen, woestijnen, tropische regenwouden, hooggebergten en rivieren.
  • 50. De leerlingen leren omgaan met kaart en atlas, beheersen de basistopografie van Nederland, Europa en de rest van de wereld en ontwikkelen een eigentijds geografisch wereldbeeld.


§ Tijd

  • 51. De leerlingen leren gebruik te maken van eenvoudige historische bronnen en ze leren aanduidingen van tijd en tijdsindeling te hanteren.

 

NMEpodium is een samenwerkingsverband van IVN, GDO, Veldwerk Nederland, SMEAdvies en VVM Sectie NME en is financieel mogelijk door het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie.