
Door Kees Both
Dit is mijn kleinzoon Thijs, 7 jaar oud. De foto is door mij gemaakt in de ontdek- en speeltuin bij zijn school, in Haren, bij Groningen. Hoe hij dit voor elkaar gekregen heeft is mij ontgaan. Hij is niet bang, maar ook niet overmoedig, eerder voorzichtig in dit soort dingen. Zijn ouders moedigen dit soort activiteiten aan. Die zijn ook niet bang uitgevallen, wat de activiteiten van hun kinderen betreft. De kinderen spelen veel buiten, de buurt waar zij wonen maakt dat mogelijk: verkeersluw en relatief groen. De ouders zullen door het boek ‘Laat ze buiten spelen’ bevestigd worden in hun opvattingen over gezonde risico’s. Ook tegenover ouders die overal gevaren zien waartegen zij hun kinderen willen beschermen.
Internationaal netwerk KIND EN NATUUR
Dat het boek ‘Laat ze buiten spelen’ tot stand gekomen is, is te danken aan internationale contacten. Over het belang van dergelijke contacten wil ik enkele opmerkingen maken.
Volgens mij is het belangrijk om op twee ruimtelijke niveaus te leren denken. Allereerst op het niveau van de lokale gemeenschap – zien wat daar nodig is. Maar ook breder kijken, je laten inspireren door wat anderen in hun situatie doen, van elkaar leren. Tot op het internationale niveau toe. Zoals de Children & Nature Movement in de Verenigde Staten, die ontstond door het boek ‘Last child in the woods’ van Richard Louv. Van dat boek verscheen in 2007 ook een vertaling, die in ons land veel aandacht heeft getrokken
Louise Chawla, een internationaal befaamd pedagoge wat betreft de kwaliteit van de leefomgeving van kinderen en adviseur van het netwerk van Louv, c.s. – meldde mij een paar jaar geleden dat er in Engeland een inspirerend boek verschenen was – van Helen Tovey – over ‘Playing outdoors’. Door die attendering is het balletje gaan rollen, uitlopend in de vertaling die nu gereed is.
We laten ons ook inspireren door wat elders in Europa gebeurt, bijvoorbeeld in Duitsland en Scandinavië. Een voorbeeld van het laatste is de Levande Skule (Noorwegen), een belangrijke inspiratiebron voor de ontwikkeling van de Boerderijschool in ons land.
Pedagogische traditie
Een brede oriëntatie in de ruimte is van belang, tot op internationaal niveau toe. Maar ook een ruimere diepe oriëntatie in de tijd. We moeten niet de illusie hebben dat wij de eersten zijn die zich in handelen en denken bezig houden met het belang van buitenspelen. Tovey doet dat in elk geval niet. Zij grijpt terug op de 18e eeuwse pedagoog Friedrich Fröbel en diens leermeester Pestalozzi.
Het boek van Tovey is stevig geworteld in een lange traditie. Wij staan op de schouders van onze voorgangers. Het is voor ons vaak verrassend om te lezen wat iemand als Fröbel schreef over de betekenis van buitenspelen. Behalve aan Fröbel besteedt Tovey ook aandacht aan het werk van Maria Montessori en aan enkele andere bij ons vrijwel onbekende, maar boeiende Engelse voorgangers uit de 20e eeuw. In ons land krijgt het werk van Montessori nog steeds aandacht, onder andere in het Montessorionderwijs, naast dat van Peter Petersen en diens Jenaplanconcept (Petersen was op zijn beurt sterk geïnspireerd door Fröbel!), Rudolf Steiner en de pedagogiek van de Vrijeschool, Helen Parkhurst en haar Dalton Plan en Célestin Freinet (Freinet-onderwijs).
Het gaat er niet om het verleden te herhalen, laat staan erin blijven steken. Maar nog minder om het te negeren. Iemand schreef daarover ooit:
‘It is time we get away from everlasting new beginnings, from the eternal reduplication of individual, piecemeal, isolated experiments … from persistent rediscovery of what has long been known. … We shall get nowhere by continually demolishing and starting afresh.’ (King, 1967).
Natuurspelen - opnieuw denken over veiligheid
Groot Brittannië kent een rijke traditie van ‘outdoor education’. Desondanks staat deze ook en zelfs daar onder sterke druk. Werkweken van scholen en buitendagen zijn heel sterk teruggelopen. Een heel belangrijke factor zijn de hoge, sommigen noemen het rigide, veiligheidseisen. Er is wel een steeds grotere aandacht voor natuurspelen, gestimuleerd door organisaties die zich sterk maken voor buitenspel. Die grotere aandacht voor natuurspelen heeft invloed op het debat over veiligheid. Rigide, formele benaderingen van risico’s bij het buitenspelen maken natuurspelen feitelijk onmogelijk, ze verdragen zich niet met de belangrijke rol van het niet gestandaardiseerde en minder voorspelbare in het natuurspelen. In de presentatie van Sigrun Lobst en Josine van den Bogaard wordt hier aandacht aan besteed.
Natuur, spelen en leren
Het belang van het boek van Tovey is dat spelen en leren in natuur wordt ingekaderd in een bredere pedagogische visie. Daardoor kan het deel worden van hoofdstroom van pedagogisch denken en handelen – natuur hoort er gewoon bij. In opleidingen kan zo een brug geslagen worden tussen docenten voor natuuronderwijs en pedagogiek. Het programma van de studiemiddag is daarvan een illustratie.
Een spirituele dimensie
Boven het hoofdstuk over risico’s staat als motto een citaat van de Noorse toneelschrijver Henrik Ibsen: “Er is altijd een zeker risico als je leeft - en hoe meer je leeft,
hoe meer risico er is
Oftewel: als je geen risico wilt lopen in het leven kun je beter gelijk in je graf gaan liggen.
We raken hier aan een levensbeschouwelijke, beter gezegd spirituele dimensie van het omgaan met risico’s in de opvoeding. De vraag hoe je in het leven staat en tegen de werkelijkheid waarin we leven aankijkt. Absolute veiligheid is een illusie en het streven ernaar maak ons ook ongevoeliger voor de mensen en dingen waarmee we in aanraking komen. De fijngevoelige filosoof, tevens franciscaan, wijlen Theo Zweerman omschreef de kracht van het kwetsbare als volgt:
“Mensen zijn net huisjesslakken die zich pantseren, harnassen en wapenen om vervolgens elkaar te lijf te gaan. Onder het pantser - de schaal van de slak - bevindt zich het kwetsbare….... Mensen zijn breekbaar …..als aardewerk, bang om te vallen en voor verval. Bang ook voor lichamelijke en geestelijke verwonding. Daarom schermen we ons af, zie het verzekeringswezen en andere "veiligheids"-voorzieningen. Maar het opvoeren van deze voorzieningen en het opvoeren ( "meer", "groter", "sneller") op allerlei andere terreinen levert niet noodzakelijk meer zekerheid op, integendeel. Want aan dat opvoeren lijkt geen eind te komen ….. Wij westerse mensen moeten ons opnieuw bezinnen op onze wijze van omgaan met het hachelijke en kwetsbare in ons bestaan. Echt, volledig mens-zijn kenmerkt zich altijd door de verbinding van vindingrijkheid en aanvaarding van begrensdheid, van vrijmoedigheid en deemoedigheid, van uitgroei en bescheidenheid.”